skip to Main Content

Wereldkampioen zoekt plekje in de maatschappij

Het uitgebreide verhaal van Petra de Bruin - Wielrennen

Ogen vol ongeloof keken de wereld in, toen ze als eerste de finish over ging, de regenboogtrui mocht aantrekken en voor eigen publiek het volkslied klonk. De wereld, die haar in 1979 opeens leerde kennen als dé nieuwe wereldkampioen wielrennen. Zeventien lentes jong – maar niet onbeschadigd – stond ze op het erepodium in Limburg. Petra de Bruin. Twaalfde telg in een gezin van dertien. Op haar twaalfde maakte haar vader plots een einde aan zijn leven. De man die haar had aangemoedigd op de racefiets te stappen, heeft haar nooit zien triomferen. En haar nooit de afgrond in zien vallen. Na het WK werd Petra jarenlang structureel, door meerdere mannen uit de wielerwereld, seksueel misbruikt. ‘Was ik maar nooit wereldkampioen geworden’. Dat schoot dikwijls door haar gedachte. Ze is beschadigd voor het leven, maar wil ooit weer het podium bestijgen. Dan om met haar verhaal als voorbeeld te dienen en anderen te helpen. “Des te langer je het geheim met jezelf meedraagt, des te moeilijker wordt het om er daarna verder mee te leven.” Ze spreekt uit ervaring.

Ze droeg het grote geheim zo’n 35 jaar bij zich. In december 2016 trad Petra de Bruin (58) er voor het eerst mee naar buiten, in Nieuwsuur. Ze verwachtte begrip, maar wéér werd er door velen weggekeken, weer kreeg zij een klap in het gezicht. ,,Ik ben nog steeds onder behandeling bij een haptotherapeut en bij GGZ volg ik Beeldende Therapie. Eerder heb ik EMDR-therapie gehad. Ik probeer soms uit te leggen waar de kern van mijn pijn zit. Want vóór mijn verleden was er nóg een verleden. Nog vóórdat ik op een racefiets stapte.”

Het grote gezin groeide op in Nieuwkoop. De weg naar volwassenheid was er voor Petra één zonder echte jeugd. “Toen ik twaalf was, stapte mijn vader uit het leven. Zelfmoord. Alsof er een aardbeving plaatshad. Hij liet ons achter met schulden. Een puinhoop. Hij was gewoon ziek. Wanhopig, liep ’s nachts over straat, te zingen en te schreeuwen. Er waren spanningen thuis. Maar ik snapte het eerst niet. En heb mijn hele leven mijn vader gemist. Toen hij nog leefde, trok ik als kind veel naar hem toe, voelde dat hij me nodig gehad.”

“Hij kon kennelijk niet verder, ik kwalificeer het niet als laf wat hij heeft gedaan. Het was een dappere daad. Er ging een schok door het dorp. We werden aangekeken, maar mensen hadden ook met ons te doen. Ik werd een opstandige puber, kon soms een grote bek op zetten. Dat deed ik vanuit de wanhoop, op dat moment. Het is zó’n grote gebeurtenis, die kun je niet parkeren. Die voel ik nu nóg. Er is niemand die zijn plek op kan vullen. Ik heb schatten van broers. In een aantal gevallen ‘had’. Vier van de acht kwamen ook vroegtijdig te overlijden. Een verkeersongeluk, een hartstilstand, depressie, kanker.”

Haar vader was degene die haar aanspoorde te gaan racefietsen. “Eigenlijk kort voor zijn dood, toen ik twaalf was. Ik bleek aanleg te hebben. Als je beseft dat ik vijf jaar later het grootste evenement zou winnen – het wereldkampioenschap – dat is onvoorstelbaar. Toen had je nog geen Olympische Spelen en geen Tour de France voor dames. In zo’n korte tijd zo’n groot succes, terwijl ik in de tussenliggende jaren maar één grote prijs won: in 1975, tijdens de Tour de Junior in Achterveld finishte ik als achttiende en werd uitgeroepen tot Meest Strijdlustige Renner. Als enige meid tussen de jongens…”

Genoeg jongens die zich vier jaar later ongetwijfeld herinnerden dat dat meisje uit hun peloton in Valkenburg voor het oog van duizenden landgenoten en miljoenen tv-kijkers naar de wereldtitel reed. “Keetie van Oosten-Hage was mijn voorbeeld en opdracht voorafgaand aan het WK was om haar in een goede uitgangspositie te brengen.” Petra ontsnapte echter met een Belgische renster. ,,Het ging opeens zo snel. Ik kwam op kop en ging de sprint aan.” Ze maakte het zelf nog even spannend, want Petra’s armen gingen ver voor de streep de lucht in. “Ik voelde dat ik had gewonnen en de fotofinish bevestigde dat.”

“De impact van de gebeurtenis met mijn vader heeft doorgewerkt in mijn ontwikkeling. Die ontwikkeling is gestagneerd. Ik was eigenlijk nog twaalf, toen ik wereldkampioen werd. Dat WK is heel bepalend geweest voor mijn leven. Want dat hele racefietsen, dat was voor mijn vader vaak een vlucht uit zijn werkelijkheid en naderhand werd het dat voor mezelf ook… Ik had de belasting van een rugtas die steeds voller en zwaarder werd. Maar op de fiets voelde ik ‘m even niet. Lotgenoten weten waar het over gaat. Met hen hoef ik geen wedstrijdje te doen wie het meest beschadigd is.”

“Ik beschreef mijn leven later wel eens als de geheime taart. Die heb ik tot 2016 in mijn rugtas mee gedragen. Inmiddels is het geen geheim meer. De impact gaat zo ver dat, nu ik sinds 2019 gescheiden ben, dat een gevolg is van mijn belastende rugtas. Ons huwelijk heeft geen stand gehouden. Dat maakt het voor ons beide extra zwaar.”

Hij schakelde van jeugdbegeleider naar masseur en zo kwam voor hem de weg ongemerkt vrij naar lichamelijk contact.
Petra de Bruin

“Aan de ene kant was er als beginnende puber het gemis van een vader. Maar mijn trainer, de jeugdbegeleider, ging ik zien als mijn grote broer. Er ontstond een ongezonde relatie. Mijn grote broer nam wel heel erg bezit van mij. Toen ik succes kreeg, plaatste hij een hekje om mij heen, omdat anderen aan mij gingen trekken. Ik zag dat hekje niet. En ik was afhankelijk van hem. Dat was het gemene. Ik had geen rijbewijs. Hij schakelde van jeugdbegeleider naar masseur. En zo kwam voor hem de weg ongemerkt vrij naar lichamelijk contact. Ik kon geen weerstand bieden. Hij was zó overheersend. Ik werd zelfs peettante binnen zijn familie, was belangrijk, had aanzien.”

“Pas toen ik verkering kreeg op mijn 24e, kwam ik los van hem. Toen voelde ik pas dat het heel fijn kon zijn om een vriendje te hebben. En dat dat niet ten koste hoefde te gaan van mijn sport. Als je verliefd wordt, is dat goed voor je gemoedstoestand en werkt dat prestatieverhogend.” In dat eerste jaar van haar relatie won zij voor de derde keer een etappe in de Tour de Féminine, de Ronde van Frankrijk voor vrouwen.

“Toen ik zwanger werd, kreeg ik een briefje: ik was ontzegd uit de rol van peettante. Dat zegt zoveel over die ander. Want op welke basis was ik dat dan geworden?” Qua misbruik was het niet bij die trainer gebleven. “Bijna parallel begon het misbruik door de mecanicien van een profploeg, waar ik kwam voor de onderdelen van mijn fiets. Een wat oudere man. Het begon in zijn schuurtje, met een tongzoen en tieten voelen. Daarna ging het verder. Ik wilde het helemaal niet, maar ik was lamgeslagen, door twee mensen die me in een afhankelijkheidsrol duwden. De oudere man was misschien wel een slag erger: hij kraakte de eerste onwijs af, om zo het pad te vereffenen voor zichzelf. Ik verzweeg het contact met die mecanicien voor mijn vriend.”

“Toen de mecanicien kwam te overlijden, was ik daar van af. Er was zelfs nog een derde man die me in die periode misbruikte, tijdens mijn laatste actieve seizoen. Hij werkte voor de wielerbond en hielp mij – tegen een bedankje in natura – omdat ik wat provocerend gedrag had vertoond. Ik trok een blauwe broek aan en daar stond niet het merk op waarmee wij fietsten. Er werd een zaak van gemaakt en ik kreeg een onvoorwaardelijke boete opgelegd. Terwijl ik in mijn afscheidsjaar zat, was dat was nog een cadeautje…”

“Mijn wielercarrière kreeg dus nooit het afscheid die het verdiende. En, ik mag er trots op zijn, maar ik kan daar niet bij, bij dat trotse gevoel. Het raakt me ook niet. Ik was als Sportvrouw van het Jaar 1979 onlangs ook uitgenodigd voor datzelfde gala, maar ik kan het niet… Het enige wat me trots maakt, is dat ik met enkele andere renners die daar wereldkampioen werden, ben vereeuwigd in het trottoir op de Cauberg.”

“Ik was qua misbruik denk ik de eerste, maar hoorde later signalen dat ik niet de enige was in de wielerwereld. Naderhand was er een coach van de selectie die van lage vetpercentages hield en naar verluid heel ver ging. Ik had een grote mond en een te dikke reet, dus ik hoorde er niet meer bij. Maar ik heb vermoedens dat daar ook dingen zijn gebeurd die niet in de haak waren.”

Petra voelde gaandeweg dat zij iets moest met hetgeen haar was overkomen. “In 1995 heb ik voor het eerst aan de bel getrokken en kreeg via NOC*NSF een vertrouwenspersoon toegewezen. Ook de eerste dader kreeg een vertrouwenspersoon. Er werd een ontmoeting geregeld. In dat ene gesprek ben ik alleen maar onderuit gehaald. Hij ontkende en voegde dreigend toe dat als ik zijn naam zou noemen, hij me aan de hoogste boom zou ophangen voor smaad. Dus je wordt zó ondermijnd. Terwijl ik nog wel een gevoelige drempel over was gegaan om de confrontatie aan te moeten gaan met hem.”

“Ik was onder behandeling bij een haptotherapeut en psychiater. In die periode ben ik heel boos geworden op mijn vader. Hij had ons in de steek gelaten. Die boosheid naar mijn vader werd zelfs belangrijker dan die naar de dader. Maar dat misbruik liet me niet los. Mijn man ging mee naar de haptotherapeut. Het bracht ons dichter bij elkaar, daar was ik blij mee. Maar voor hem was het moeilijk te bevatten, want hij snapte mijn pijn niet. Want het was toch al lang geleden?”

“In 1998 was er weer een Wereldkampioenschap in Limburg. Ik werd gevraagd om naar de voet van de Cauberg te komen, voor een interview met Mart Smeets en Jack van Gelder. Op dat moment was ik werkloos. Na ontslag in de zorginstelling, waar de mensen met me wegliepen. Ik had geen papiertje, dus ik moest diploma’s gaan halen. Ik werd afgedankt. Op dat moment verloor ik alles: het werk, de sport. Mijn eigenwaarde was weg. Huilend reed ik naar Limburg en dacht: ‘als ik de kans krijg, laat ik iets los’. Ik wilde het roepen door de microfoon van Mart, maar die kans werd me niet geboden. Ik moest zwijgen. Ik ben vaak teleurgesteld geraakt in mensen die zichzelf zo belangrijk vinden en voor de camera moeten staan.”

“Ik heb tussentijds Erica Terpstra, destijds eindverantwoordelijke van NOC*NSF, nog eens gemaild. Ik wilde dingen bespreekbaar maken. Maar ik kreeg een mailtje terug van haar. En sprak haar ook even via de telefoon: ‘Je moet niet denken dat je een engeltje bent’, zei ze. Moet je je voorstellen dat je in de zorg je poten onder je lijf vandaan loopt, dat je een goed mens bent, in de sport écht iets hebt betekend en dan zegt zo’n kopstuk dat… Zoiets grijpt zo hard in. Iedereen heeft die week gemerkt dat ik die opmerking had moeten incasseren. Degene die ik spinningles gaf, de mensen in de zorginstelling, waar ik onder meer werkte met mensen met het Down Syndroom. Ik mocht er niet blijven, heb geen HBO-opleiding. Maar mijn hart en ziel zitten op de goede plek. Dat doet me erg zeer. Ik kreeg een opstapeling van afwijzingen.

Sport maakt meer kapot dan je lief is. En volgens mij is dit allemaal niet de bedoeling van sport.
Petra de Bruin

“Ik putte kracht uit onze twee dochters, waar ik met liefde voor zorgde. Ik stapte weer op de fiets voor de Alpe d’Huzes, een mooi goed doel om voor bezig te zijn. Ook als gezin zijn we enkele keren afgereisd naar datzelfde evenement. Maar er bleef iets in me wringen, dus ik trok weer aan de bel. Ik werd door NOC*NSF doorverwezen naar een neuropsycholoog in Deventer. Daar in Deventer dreigde ik te stikken in een stukje pistolet. Iemand deed de Heimlich-greep bij me en gelijk kwam er een schrikmoment…”

“De behandelingen hebben deels geholpen.” Het verdriet stapelde zich ondertussen ook op. ,,Het verlies van mijn broers, in 2011 kwam mijn moeder te overlijden. Onder die zware last bleek ons huwelijk niet bestand. We hebben écht ons best gedaan. Maar voor wie doe ik er dan nog wél toe? Dat vroeg ik me af. Mijn man kon niet bij mijn emotie. Het was te overweldigend voor hem. Dat deed hij later wel, toen we uit elkaar waren en bij de therapeut waren. Dat maakte me superverdrietig. Maar ik mis hem ook. Hij heeft het écht geprobeerd, in de jaren dat we samen waren.”

In 2016 luidde zij de noodklok, bij Nieuwsuur. ,Ik kreeg veel reacties van mensen: ‘petje af’ en ‘wat dapper’. Maar dan ben je er nog niet. Eigenlijk begint het dan pas. Want 2016 is al even geleden, maar wat ben ik nu verder? Deels kom je nooit van de pijn af, maar ik ben al een lange tijd onderweg om de wond te laten helen.” Ze verwachtte dat (verantwoordelijke) sportorganen en/of oud-collega’s iets zouden laten horen. ,,Het duurde een tijdje voordat ik iets vernam. NOC*NSF nam contact op en ik begrijp uiteraard ook dat de mensen die er nu zitten, niet verantwoordelijk zijn voor toen. Maar er is nadien wel een traject ingezet: een stukje financiële tegemoetkoming, de haptotherapeut wordt vergoed en er is begeleiding richting re-integratie. Ik wil gewoon weer heel graag een plekje in de maatschappij. Maar ik mis zorg op maat in situaties als deze. Heb al zoveel therapeuten, psychologen en psychiaters bezocht. Ik wil het uiten. Heb het zo lang vastgehouden en opgekropt. Dat blije en fantastische mens in mij moet weer gaan leven.”

“Sport maakt meer kapot dan je lief is. En volgens mij is dit allemaal niet de bedoeling van sport”, zegt ze met gebroken stem en een gebroken sporthart. ,,Sport is soms één groot circus. Met mensen die zichzelf heel belangrijk vinden en zo zakken vullen of andere machtshandelingen verrichten. Maar in het hele circus weten ze vervolgens niet wat ze met je moeten wanneer je iets overkomt. En niemand is verantwoordelijk. Er is een rapport gemaakt, door de Commissie De Vries. Je hebt de voorkant én de achterkant. Voorkomen, hulp en nazorg. Wat hebben de mensen die iets overkomt nou aan de achterkant nodig? Hoe help je ze nou echt? Dat is mijn geval ook complex. Daarom duurt het zo lang bij mij. Het zal altijd een litteken blijven, maar kan de pleister er bijna af of gaat de wond dan weer open?”

“En dit hele gebeuren maakt de discussie lastig: want hoe mooi is het dat de trainer gewoon een arm om zijn pupil heen kan slaan? Zonder bijbedoelingen. Maar nu wordt er een muur gemetseld vanwege alle incidenten. Je moet afstandelijk zijn, want anders word je in een vakje geduwd.”

“Onze twee dochters zijn in de twintig. Ik heb het ze verteld toen ze op de leeftijd waren dat ze het begrepen. Ik ben een zorgzame muts, dus ook een zorgzame moeder. Ik hoopte alleen maar dat ze niet zouden gaan wielrennen, dat ze niet in die wereld zouden komen waar ik teveel van weet, weet van wat er mis kan gaan. De oudste was pas zestien toen ik het vertelde. Sinds ik het naar buiten heb gebracht, vinden ze het dapper maar ook een moeilijke situatie. Ze zijn misschien indirect ook slachtoffer geworden. Geremd in bepaalde delen van hun ontwikkeling. Soms denk ik: zal ik ze als cadeau geven dat ze naar de haptotherapeut mogen, om aan zichzelf te werken? Maar dat vind ik moeilijk, want dan ga ik iets aanbieden, terwijl het niet hun eigen initiatief is.”

Ze heeft veel geschreven. Vanuit het diepste dal. ,,Ik ben met allerlei diagnoses bestempeld. Maar ik wil nu weten wat nodig is om verder te gaan met het leven. Mijn oude rugzak afdoen en een nieuwe – lege – op mijn schouders nemen. Daar zijn al veel sessies in gestoken. Het is me overkomen, maar ik bén het niet. Hoe kom ik naar de veiligheid, warmte en bescherming die ik nu verlang? Ik moet met mezelf dealen. Ik stond mijn hele leven in dienst van anderen. Maar wie is er nu voor mij?”

Het is een zware taak, maar ik ben een veldwerker en de mooie eigenschappen die je als mens kunt hebben, die heb ik.
Petra de Bruin

“Ik moet geen energie meer stoppen in het afrekenen met die mannen. Dat gaat me niet verder brengen. En ik kan de pijn ook niet steeds bij mijn dochters neerleggen. We moeten het samen leuk hebben. Als ik mijn huisje heb ingericht, moet ik dat met een lach op mijn gezicht kunnen laten zien aan hen.”

Ze is ervaringsdeskundige. ,,Om anderen te kunnen helpen, zou ik een rol willen spelen in het traject. Mijn eigen ervaring omzetten naar een adviseursrol. Voor degene die zich meldt, is het fijn dat hij of zij weet dat dat gebeurt bij iemand die weet waar het over gaat. Dat vertrouwen te voelen, is essentieel.”

,,Ik bewandel zelf een hele lange weg en klopte op deuren, die soms niet opengingen of ik was bij de verkeerde, of ze hielpen mij niet verder. Daar word je doodmoe van. Daarom zou het goed zijn dat – wanneer iemand zich meldt – ik kan helpen om het bij de kern aan en op te pakken en te kijken naar de mogelijkheden en plekken waar iets te halen valt, qua verlichting van de lasten. Hulp op maat. Waar krijg je echt gehoor, erkenning en bevestiging? En hoe kun je dealen met dat stuk pijn? Belangrijk is, dat wanneer je je aanmeldt, je ook mensen om je heen in je verhaal meeneemt. Des te langer je het geheim met jezelf meedraagt, des te moeilijker wordt het om er daarna verder mee te leven.”

“En er moet worden geregistreerd. Zodat iemand die seksueel misbruik pleegt, niet zomaar bij een andere vereniging aan de slag kan gaan en meer slachtoffers kan maken. De racefiets? Ik hoop dat ik dit jaar mijn racefiets na enkele jaren weer klaar kan zetten, dat ik opstap, op weg ga, in de wind trap en er weer blij van wordt. Op de fiets krijg ik leuke ideeën.”

“Ik heb drie wielergeneraties doorlopen. Ben één van de grondleggers van het vrouwelijke wielrennen, maar destijds was het op amateurbasis met professionele insteek. Ik ben met plakboeken bezig. Gaan mijn meiden het ooit lezen? En wat als ik kleinkinderen mag verwelkomen. Als zij dan googelen, zien ze oma, als dat lachende meisje van zeventien met die regenboogtrui aan en dat petje op. Maar daaronder lezen ze dan dat verschrikkelijke verhaal, gerelateerd aan het misbruik. Misschien kan ik ooit nog een plekje creëren, een echt mooi plekje van mezelf als wielrenster. Misschien moet ik iets doen richting een jubileumjaar, straks in 2029, als het vijftig jaar geleden is. Het afscheid van mezelf als wielrenster. Dat ik mijn trots bij elkaar raap en er iets over kan vertellen of het kan laten zien. Wellicht op het podium van theaters.”

“Maar ik ben er nog niet. Ik ben bang. Niet dat ik mezelf iets aan doe. Maar dat mijn lichaam het opgeeft. Ik zit niet in mijn meest krachtige periode. De strijd heeft me doodmoe gemaakt. En ik zoek naar erkenning. En ik zál er weer bovenop komen. Mijn broer Joost, die in 2010 overleed aan een hartstilstand, was heel creatief. Hij maakte een vierkant plankje, zette er een draaigedeelte op daarbovenop zette hij twee plankjes, zodat je er een boek op kon zetten. Letterlijk een draaiboek. Daar had hij de bijbel op staan. Dan luisterde hij in zijn schuurtje naar de Heilige Missen van de kerk. Daaronder stond op een tegeltje geschreven: Het is niet belangrijk wat je doet, maar dát je het doet.”

“Zoals mijn moeder altijd zei: het is geen kunst om veel te doen, maar wat je doet moet je goed doen. Als je moeder of vader jou als kind te vaak laat merken dat wat je doet niet goed is, is dat niet goed voor je ontwikkeling. Ik kom altijd op voor het kind. Maar ik signaleer anders, ben niet meer blanco. Ik gun ieder kind een veilige sportomgeving, eigenlijk moet alles veilig zijn vanaf je geboorte. In de zorg vond ik het fijn om zorg te delen: wat ik gaf, kreeg ik driedubbel terug van de bewoners. We waren een team met de zorgverleners, je merkte dat je nodig was. Het was zó fijn, je ging er zelfs op je vrije dag heen. We vroegen oprecht aan elkaar: hoe gaat het met je? Dat moeten we weer gaan doen. We moeten gewoon meer naar elkaar omkijken. Dat is toch basaal?”

“Ik ga opnieuw aan mijn leven beginnen, mijn tweede leven. Het is een zware taak, maar ik ben een veldwerker en de mooie eigenschappen die je als mens kunt hebben, die heb ik. Dus ik ga hem volbrengen. Al is het in een langzaam tempo. Ik geniet van kleine momentjes. Bijvoorbeeld als ik langs ga bij mensen die ik een warm hart toedraag en een zakje bokkepootjes aan de deur hang. Bijvoorbeeld als ik een rondje fiets met een blinde man, als ik in de natuur ben of een bezoek breng aan de zorginstelling waar ik werkte en de warmte om me heen voel. Voor die mensen ben ik niet dat mens met een diploma of wereldtitel, maar ben ik Petra. Als ik zo’n momentje benoem, kom ik bij een traan, waarvan ik voel dat ik ‘m mag delen. Dat is beter dan antidepressiva. Fietsen, gewoon fietsen, betekent voor mij nu een vorm van herstel. Ik woon inmiddels op mezelf en sta aan het begin van de toekomst. Ik wil leven in liefde. Naar mezelf toe en naar de wereld.”

Wil jij je verhaal delen?

Blijf er niet mee rondlopen. Je hoeft het niet voor jezelf te houden of weg te stoppen uit schaamte, angst voor het breken van je sportcarrière of je plezier in de sport. Breng je verhaal naar buiten en vertrouw op jezelf dat het goed is om te doen. We zijn er om naar je te luisteren en je te helpen!

Mede mogelijk gemaakt door

Back To Top